Nederland wil de strijd aangaan met andere sportlanden om een positie in de top-tien van het medailleklassement bij de Olympische Spelen. Wil de Atletiekunie daar een rol bij spelen, dan zal ze stevig moeten concurreren met 20 Nederlandse bonden. Die wedstrijd ging maandag op Papendal van start, toen NOC*NSF het rapport “Nederland in de top 10” presenteerde. Zo’n 200 miljoen euro willen de gezamenlijke sportbonden vanaf het jaar 2020 jaarlijks beschikbaar hebben om hun topsportplannen volledig te kunnen uitvoeren. Peter Verlooy, technisch directeur van de Atletiekunie, zette achter zijn plannen het bedrag van 21,6 miljoen. Dat lijkt een relatief grote punt uit de taart, maar voor de vele atletiekdisciplines zijn veel coaches en accommodaties nodig. Het bedrag is de optelsom van 11,7 miljoen voor de topsport en 9,8 miljoen voor de talenten. Ter vergelijking: dit jaar besteedt de Atletiekunie 2,3 miljoen aan topsport.
Veel geld dus, maar er staat heel wat tegenover. Zo bestaat de technische staf in 2020 uit 33 fulltime coaches, vier coördinatoren en 32 andere begeleiders. Die kunnen ruim 200 topsporters en talenten een fulltime trainingsprogramma van 300 dagen per jaar aanbieden.
Belofte
Komt het geld beschikbaar, dan belooft de Atletiekunie een bijdrage van negen medailles aan de oranje-oogst bij de Spelen van 2020. In Londen winnen twee atleten al een medaille, in 2016 zijn dat er vijf. Alle (Olympische) bonden gezamenlijk denken ruim 80 medailles te kunnen winnen, als er maar genoeg geld komt. Want, zo is de leidende gedachte achter “Nederland in de top 10”: medailles zijn te koop. Dat betekent uiteraard niet dat sporters individueel zekerheid kunnen bieden. Maar dat landen die over veel hogere sportbudgetten beschikken Nederland voorbij streven in het medailleklassement, is veelzeggend.
In alle berekeningen schuilt overigens ook een paradox. De bonden strijden nu voor een budget van 200 miljoen en stevenen af op ruim tachtig medailles. Maar voor de beoogde top 10 positie zijn 30 tot 35 plakken voldoende.
Holland Heineken House
Er zijn nogal wat vragen te stellen bij het rapport en bij de achterliggende filosofie. In de eerste plaats is niet te verwachten dat in het huidige politieke en economische klimaat opeens heel veel meer overheids- en sponsorgeld op tafel komt voor de sport. Technisch directeur Maurits Hendriks mag dan breed uitdragen dat sportprestaties de Nederlander blij en trots maakt, in onderzoek, onder meer van het Mulier Instituut rond de “sportzomer” van 2008, is nauwelijks of geen bewijs te vinden voor die stelling. Als er sprake is van een lichte opleving van die gevoelens, dan zijn ze al snel weer verdwenen als het Museumplein is leeg gestroomd en het Holland Heineken House de deuren sluit.
Voorbije seizoen
Dan is het ook de vraag of er voldoende atletiektalenten zijn die in staat én bereid zijn de lange weg naar de top – tien jaar lang, tienduizend uur trainen – af te leggen. Het bijna voorbije atletiekseizoen liet zien dat Nederland momenteel geen atleten heeft die een stevige positie in de top van de wereldranglijsten innemen en medaillekandidaat zijn op een mondiaal toernooi. In de Diamond League speelde geen enkele atleet een rol van betekenis. En dan twee atletiekmedailles beloven bij de Spelen van Londen? Het lijkt wat erg optimistisch.
De WJK in Canada liet zien dat er zeker talenten zijn, maar wat daaruit groeit laat zich moeilijk voorspellen. Als illustratie: tot voor een jaar geleden leken er weinig atleten méér gemotiveerd en gedreven dan Michel Butter. Maar na een reeks minder geslaagde wedstrijden, fysieke malheur en het missen van de EK in Barcelona lijkt de langeafstandsloper geruisloos van het toneel verdwenen. Hij hult zich in ieder geval in stilzwijgen waar het gaat om het vervolg van zijn carrière. Die constatering is geen verwijt, maar het tekent de kwetsbaarheid van jonge talenten. Hoe groot is de druk die de Nederlandse atletiek nu legt op de schouders van Dafne Schippers?
Het onderstreept het pleidooi van Verlooy voor een allereerste stap op weg naar een verbetering van het topsportklimaat: meer en beter sportonderwijs op de basisschool. Want de kweekvijver zal aanzienlijk beter gevuld moeten worden om uiteindelijk voldoende toppers over te houden die kans maken op een podiumplaats.
Een tweede vereiste is dat de atletiek zichtbaarder wordt en blijft. Ook op dat vlak was het afgelopen seizoen weinig hoopgevend. Bij de NK in Amsterdam en de EK in Barcelona toonde de Nederlandse sportpers nog ruime belangstelling voor de atletiek. Voor andere wedstrijden waar de atletiekverslaggevers vroeger steevast verslag van deden, zoals de Nacht van de Atletiek en de Van Damme Memorial, is tegenwoordig nauwelijks belangstelling. En in de wegatletiek is het niet anders.
Want als de sportbonden erin slagen hun plannen geheel of gedeeltelijk te gaan uitvoeren, zal er een stevige concurrentie ontstaan om de voorkeuren en sportkeuzes van het aanwezige talent in Nederland.
141 medailles
De Atletiekunie zal haar positie in de binnenlandse strijd om geld en talenten te versterken. Positief is dat er bij de moeder der sporten 141 olympische medailles zijn te winnen. Het is daarom lucratiever is om te investeren achttien atleten, dan in een hockey- of waterpoloteam dat maar één plak kan winnen.
Maar NOC*NSF kijkt ook naar het verleden, waarin acht bonden 96 procent van alle Olympische medailles wonnen. Dat succesvolle octet (hockey, paardensport, judo, roeien, schaatsen, wielrennen, zeilen, zwemmen) heeft dus zeker een streepje voor, maar krijgt nu slechts een kwart van de financiële middelen. Na Ellen van Langen won de – ook stevig gesubsidieerde – atletiek niets meer. Het zal de discussies over de verdeling van de middelen, zeker als het budget minder hoog uitvalt dan de sport hoopt, des te feller maken.
Waarom?
De laatste, maar zeker niet de minst belangrijke vraag: waarom moet Nederland eigenlijk in de top 10. Voor Hendriks is dat geen vraag. Een sportcoach wil altijd meer en dan is top 15 geen uitdaging meer. Een bekende uitdrukking van Verlooy is dat niemand hoger gaat springen als je de lat lager legt.
Dat is allemaal waar, maar het neemt de vraag niet van tafel of de nadruk op de medailles niet ten koste gaat van een bredere sportontwikkeling in Nederland. Er zijn al voorbeelden van hoge investeringen in heel kleine disciplines die nauwelijks tot de Nederlandse sportcultuur behoren, louter gericht op die medailles: curling, bobslee. Meer in het algemeen lijkt de topsport zich met de ambitieuze plannen die nu op tafel liggen steeds verder los te zingen van de (verenigings-)sport die zo kenmerkend is voor Nederland. Hendriks zegt nog wel dat de topsport schatplichtig is aan de 25.000 sportverenigingen. Maar het liefst maakt hij zijn sectie zo snel mogelijk los van die lastige en tijdrovende sportdemocratie en gaat hij verder als het zo zelfstandig mogelijke bv topsportbedrijf Nederland. Ook dat is een voorwaarde voor het bereiken van de top 10 positie.



