Camera’s boven de tafeltjes in het atletenrestaurant

Als het aan de wetenschappers ligt, hangen er straks in het nieuwe atletenrestaurant op Papendal camera’s boven de tafeltjes, zodat onderzoekers precies kunnen volgen wat de sporters nu écht eten. Het is een van de ideeën die aan de orde komen in het interview van Cors van den Brink met prof. Frans Kok en arts en fysioloog Marco Mensink, in het zojuist verschenen boek “Sport en haar professoren”. All Track Press publiceert enkele passages uit dit interview.

Hoe is dit gebied als onderwerp voor wetenschappelijk onderzoek ontstaan en hoe heeft het zich in de afgelopen jaren ontwikkeld binnen uw universiteit/instituut?
Zo’n vijf tot tien jaar geleden begonnen studenten interesse te tonen voor thema’s als voeding en bewegen, voeding en sport en de energiebalans, vertelt Kok. ‘We zijn daar aanvankelijk mondjesmaat mee aan de slag gegaan. En we hebben regionale contacten opgebouwd, met NOC*NSF en het nationaal trainingscentrum op Papendal, de Hogeschool Arnhem-Nijmegen (HAN) en met het ziekenhuis De Gelderse Vallei, waar een goede sportmedische afdeling is. De regio biedt dus goede mogelijkheden’

Marco Mensink (l) en Frans Kok

In die ontwikkeling past ook de aanstelling van de arts en fysioloog Marco Mensink, die overkwam van de Universiteit Maastricht, waar hij zich met mensen als Asker Jeukendrup en Wim Saris onder andere bezighield met sport en voeding. Maar Kok benadrukt dat “Wageningen” nog geen jarenlange ervaring heeft met sport en zeker niet met topsport. ‘Het ontbreekt ons nog wat aan volume’, zegt hij.

Wat is de stand van zaken van het onderzoek op uw vakgebied, wat zijn de belangrijkste vragen en thema’s die aan de orde zijn, in Nederland en elders?
Over gezonde voeding is het nodige bekend, stellen Kok en Mensink. Wat de gemiddelde Nederlander wel en niet moet eten om gezond en fit te blijven is in grote lijnen wel duidelijk. Maar hoe zit dat voor specifieke groepen of onder speciale omstandigheden? Bovendien blijkt het voor veel mensen lastig om zich aan de richtlijnen te houden, en willen we graag weten hoe voeding werkt.

Waar de Wageningers graag meer van zouden willen weten, is de relatie tussen voeding en sportprestaties. ‘Voor sporters zou je de voeding nog veel beter moeten kunnen fine-tunen’, zegt Mensink. ‘Er zijn allerlei supplementen, maar er is nog veel onderzoek nodig om te zien welke invloed die precies hebben. Via wetenschappelijk onderzoek kun je aanbevolen hoeveelheden vaststellen en dat is voor veel voedingsstoffen ook gebeurd. Maar geldt dat ook voor (top-)sporters en hoe ligt dan de relatie tot de intensiteit van de training of wedstrijdinspanning. Of hebben die sporters heel andere behoeften? Dat zijn lastige vragen, maar het is wel een interessante materie.’

Met welke onderzoeksvragen bent u zelf momenteel vooral bezig, op welke wijze vindt onderzoek plaats?
Mensink noemt calcium en vitamine-D, waarvan met name vitamine-D momenteel veel in de belangstelling staat. ‘Er is een wetenschappelijke discussie gaande over hoeveel vitamine D we nu eigenlijk nodig hebben, ook bij sporters’

Gebrek aan calcium wordt uiteraard in verband gebracht met osteoporose. In de sport, en met name onder duursporters, zou gebrek aan calcium wel eens (mede-)oorzaak kunnen zijn van de veel voorkomende stressfracturen. Mensink e.a. onderzochten de inname van beide bij een groep van 64 vrouwelijke sporters. Daarbij bleek dat de helft van hen onvoldoende calcium binnen kreeg en een kwart onvoldoende vitamine-D. Vrouwelijke sporters, zo luidde een van de conclusies, behoren op dit gebied dus tot de risicogroep.

Een van die risicofactoren, zo oppert Mensink, is het feit dat topsporters vaak indoor hun trainingen afwerken én intensiever zijn gaan trainen. Hij schetst het leven van de hedendaagse sporttalenten, zoals handballers en volleyballers die bijvoorbeeld op Papendal trainen. Als je tweemaal per dag een paar uur in de sporthal bent, tussendoor vooral veel rust nodig hebt en ook nog wat uren op school bent, krijgt de zon weinig kans.

‘En bij turnsters moet je dan ook rekening houden met de mogelijkheid dat ze toch al knijpen op hun voeding, omdat ze steeds bezig moeten zijn met hun gewicht’, zegt hij.

Een onderzoek dat hij met enkele andere onderzoekers deed betrof colostrum, dat tegenwoordig veel gepropageerd wordt als voedingssupplement dat het immuunsysteem zou ondersteunen. Dit bovine colostrum – zoals de aanduiding eigenlijk luidt – is gebaseerd op biest: de melk die koeien geven in de eerste uren na het kalven. Mensink e.a. wilden met name weten of colostrum ondersteuning kan bieden bij de verzwakking van het immuunsysteem na een zware training. Een groep mannelijke sporters kreeg een supplement gebaseerd op colostrum, een controlegroep kreeg een gewoon melkproduct. Het onderzoek bevestigde wél de invloed van inspanning op het immuunsysteem, maar colostrum bleek geen enkele invloed te hebben op die verandering.

Op welke wijze kan uw onderzoek een rol spelen bij de ontwikkeling van de top- of breedtesport en het sportbeleid. En – omgekeerd – op welke wijze wordt uw onderzoeksveld beïnvloed door vragen vanuit de sport?
Supplementen worden in de markt gezet als medicijn en sommige producenten zoeken met hun beloften de randen op van wat nog toegestaan is. Er zit veel kaf onder het koren, zegt de hoogleraar. Hij wijst op het werk van de European Food Safety Authority, de Europese toezichthouder op de voedselveiligheid, die kritisch kijkt naar de gezondheidsclaims van producenten op levensmiddelen en voedingssupplementen. Onderzoek naar 430 van die beweringen bracht de EFSA begin 2010 tot de uitspraak dat slechts in negen gevallen sprake is van voldoende onderbouwd bewijsmateriaal. En daarbij ging het om claims voor de bevolking in het algemeen.

Mensink benadrukt nog eens dat voor sporters aanvullend en specifiek onderzoek nodig is om de werkelijke invloed te kunnen vaststellen. ‘Mijn insteek is eerst: wat is de voedingsstatus van een nutriënt. Maar evenzeer is van belang om te weten wat iemand ook echt nodig heeft.’

Welke verwachtingen heeft u van de ontwikkelingen die zich binnen uw vakgebied in de komende jaren zullen voordoen? Hoe zal de behoefte aan onderzoek vanuit de sport zich ontwikkelen?
Mensink verwacht dat onderzoek naar de rol van de darmen voor de immuunfunctie van groot belang kan zijn. Zware inspanning kan leiden tot een grotere doorlaatbaarheid van de darmwand, waardoor mogelijk stoffen in het bloed kunnen worden opgenomen die negatief werken op de immuunrespons van het lichaam.

Op het gebied van voeding en beweging doet Wageningen ook onderzoek naar de rol van eiwit voor de spieropbouw bij fragiele ouderen. Het eiwit kan mogelijk een rol spelen bij het tegengaan van spierafbraak. ‘Maar de uitkomsten van dat onderzoek zijn mogelijk door te vertalen naar de sport’, zegt Mensink.

Met de HAN vinden verkennende gesprekken plaats over de mogelijkheid om intensiever samen te werken, bijvoorbeeld om een instrument te ontwikkelen om het voedingspatroon van sporters in kaart te brengen en zo mogelijk te optimaliseren.

Frans Kok zou het interessant vinden om in de nog te bouwen nieuwe sporthal op Papendal voor de sporters een “restaurant van de toekomst” in te richten, zoals dat in Wageningen al bestaat. Met camera’s en andere digitale voorzieningen kunnen onderzoekers de eters langere tijd volgen, vanaf het binnenkomen, het samenstellen van de eigen maaltijd tot het meten van de daadwerkelijke verorberde hoeveelheid voedsel.

‘De sport heeft veel behoefte aan praktische advisering en dat is goed’, zegt Mensink. ‘Maar het is ook belangrijk dat de research verder gaat, zodat die advisering steeds sportspecifieker kan worden. Bovendien moeten we ook de omgeving van de sporter in ogenschouw nemen. Van maandag tot vrijdag kan men bij wijze van spreken controleren wat de sporttalenten op Papendal eten. Maar wat gebeurt er vervolgens in het weekend? En hoe slecht is het als ze als ze dan meer vrijheid nemen om te eten wat ze zelf kiezen?’

Over het boek

Sportonderzoek neemt de laatste jaren in ons land toe. Het Olympisch Plan 2028 draagt hieraan bij. NOC*NSF, het W.J.H. Mulier Instituut, InnoSportNL en het Landelijk Overleg Sportgezondheids Onderzoek zijn, samen met vele partijen, bezig het sportonderzoek in Nederland naar een hoger plan te tillen. Hiervoor zijn verschillende trajecten in gang gezet (zie ook www.nocnsf.nl/onderzoek). Eén ervan is de realisatie van Sport en haar professoren.

In “Sport en haar professoren” komen de dragers van sportonderzoek aan het woord. Dertien vooraanstaande sporthoogleraren vertellen over de actuele en toekomstige ontwikkelingen op hun vakgebied. Hoe verrichten zij onderzoek? Wat zijn hun wetenschappelijke passies, hun persoonlijke drijfveren? Wat zijn in Nederland momenteel de belangrijkste wetenschappelijke vragen op sportgebied? En hoe dragen zij het Olympisch Vuur uit? Deze nieuwe uitgave in de serie Sport en Kennis geeft op toegankelijke wijze antwoord op deze en andere vragen.

Voor meer informatie: klik hier.